|
Binnen het oeuvre
van Gilbert & Sullivan neemt Ruddigore een bijzondere plaats in,
omdat het werk in tegenstelling tot de eerdere opera’s meer
serieuze passages kent. Opvallend is het contrast tussen het
luchtige eerste bedrijf en het dramatische tweede bedrijf.
Ruddigore is de tiende van de in totaal veertien komische
opera’s, die tussen 1871 en 1896 zijn voortgekomen uit de
succesvolle samenwerking tussen Sir William Schwenck Gilbert
(1836-1911), de componist Sir Arthur Seymour Sullivan
(1842-1900) en de producent Richard D’Oyly Carte (1844-1901). De
opera’s – destijds ‘Light Opera’ genoemd – vallen op door de
vaak scherpe maatschappelijke satire, die verpakt is in
ogenschijnlijk onschuldige verhaaltjes.
In een ver verleden is het geslacht Murgatroyd vervloekt. Als
gevolg daarvan dient telkens de oudste telg als baron van
Ruddigore dagelijks een misdaad te plegen. Degene die zich
hieraan onttrekt, zal nog diezelfde dag sterven. De baron
Ruthven Murgatroyd weet echter aan de vloek te ontkomen door
zich onder de schuilnaam Robin Oakapple te vestigen in een klein
vissersdorpje. Zijn jongere broer Despard krijgt de titel – de
vloek rust nu op hem. Robin Oakapple ontmoet in het dorp de
mooie Rose Maybud en weet haar met veel moeite over te halen met
hem te trouwen. Maar vlak voor het zover is, wordt hij
ontmaskerd en moet hij terugkeren als baron van Ruddigore en
elke dag een misdaad begaan. Rose keert zich van hem af en
vlucht in de armen van een ander. In wanhoop wendt de baron zich
tot zijn voorvaderen en smeekt hen de vloek teniet te doen.
Aanvankelijk zijn ze onverbiddelijk in hun weigering. Het lukt
de baron echter hen door een list op andere andere gedachten te
brengen, zodat hij alsnog met Rose kan trouwen.
|